Jelmer Martens wrote:
Bridge heeft te maken met vergrijzing, in mijn tijd was je nog tot je 25e (!) een junior. Maar er zijn genoeg jongeren en studenten die bridgen, de vergrijzing heeft meer te maken met de enorme instroom van senioren die op zoek zijn naar een gezellige bezigheid.
Dat is ook mijn indruk. In het Europees Go-Centrum, waar Amstelland zijn clubavond heeft, spelen een damclub, een schaakclub, uiteraard een goclub, en tientallen bridgeclubs. Als je tijdens je dampartij een drankje wilt halen, kun je dat maar beter niet tijdens een bridgepauze doen, want dan sta je een eeuwigheid te wachten bij de bar. Het zijn veel vroeg-gepensioneerden die vooral recreatief spelen. Vergelijk dat eens met de dambond waar continu de nadruk wordt gelegd op jeugd en training. Met die benadering haal je misschien een klein clubje fanatieke dammers binnen, maar een bond kan slechts overleven als er een groot aantal recreanten lid is. Zij houden de clubavond gezellig druk en, niet minder belangrijk, zij zorgen voor financieel draagvlak.
Grote vraag is dus, hoe halen we de recreatieve dammer binnen? Een pasklaar antwoord heb ik niet, maar dat de huidige clubavond (met zijn lange partijen en uren durende stiltes) daarvoor totaal ongeschikt is, lijkt me wel duidelijk.
Jelmer Martens wrote:
Als we die senioren nou eens aan het dammen zouden krijgen ... bridge moeten ze meestal leren via lange cursussen, dammen kunnen ze vanaf dag 1!
Dat laatste lijkt me eerder een nadeel dan een voordeel. Dammers hebben nog steeds te maken met het vooroordeel dat ze een makkelijk spelletje spelen. "Ik schaak liever hoor, dammen is mij te makkelijk", is een uitspraak waar elke dammer wel eens tegenaan gelopen is. En zelfs als je zo'n persoon verpletterend verslaat, blijft hij vreemd genoeg van mening dat dammen te makkelijk voor hem is.
Bridgers hebben het makkelijker. Vele mensen kennen de regels van het spel niet eens en hebben daardoor het idee dat zich op de bridgeclub uiterst intelligente processen voltrekken. Het is een beeld dat de bridgers zich graag laten aanleunen, ook al kunnen velen van hen amper een aas van een boer onderscheiden. Dit is onvergelijkbaar met dammers die steeds maar weer moeten uitleggen waarom ze zo'n simpel spelletje spelen.